Waar hoort de schoudernaad te zitten?
Bij een normaal shirt of overshirt hoort de naad ongeveer rond het uiteinde van je schouder te vallen. Zit hij duidelijk op je bovenarm, dan oogt het kledingstuk snel te groot. Trekt de naad omhoog richting je nek en spant de stof over je bovenarm, dan is het model waarschijnlijk te smal.
Beweeg je armen vooruit en omhoog. Je hoeft geen volledige sportbeweging te kunnen maken in een net overhemd, maar de stof mag niet hard in je oksel snijden of de hele romp omhoog trekken. Let op: een bewust oversized model heeft een lagere naad. Beoordeel dan of de rest van de verhoudingen dat ontwerp ondersteunt.
Hoe controleer je borst en taille?
Kijk niet alleen stilstaand in de spiegel. Ga zitten, adem normaal in en beweeg je armen. Knopen mogen niet openstaan en horizontale treklijnen wijzen vaak op te weinig ruimte. Tegelijk hoeft er bij een regulier model geen grote plooi stof rond je middel te hangen.
Een kleermaker kan een overhemd of broek soms innemen, maar extra stof toevoegen is beperkt mogelijk. Koop daarom eerst genoeg ruimte op schouders, borst, zitvlak en bovenbenen. Pas daarna kijk je of taille of pijp smaller kan.
Wanneer is een mouw te lang?
Bij een T-shirt eindigt de mouw vaak rustig rond het midden van de bovenarm, zonder strak in te snijden. Bij een overhemd hoort de manchet rond het polsgewricht te blijven wanneer je arm ontspannen hangt. Verdwijnt je hele hand in de mouw, dan is inkorten logisch. Schiet de manchet bij elke kleine beweging ver omhoog, controleer dan eerst of schouder en armsgat te strak zijn.
Draag je een jas over een overhemd, controleer beide samen. Een mooie losse mouw in de paskamer kan alsnog knellen zodra er een laag onder zit.
Hoe lang hoort een bovenstuk te zijn?
Een T-shirt dat je los draagt eindigt vaak ergens rond het midden van de gulp, afhankelijk van lichaamsverhouding en model. Te kort betekent dat het voortdurend omhoog kruipt. Veel te lang kan benen optisch korter maken en plooit onder een jas. Bij een overshirt mag extra lengte logisch zijn, zolang de zoom niet halverwege het bovenbeen hangt zonder dat het model daarvoor ontworpen is.
Maak een foto recht van voren en van opzij op heuphoogte. Een telefoon die van bovenaf fotografeert vervormt de verhouding. Gebruik dezelfde afstand wanneer je twee maten vergelijkt.
Hoe controleer je een broek?
De taille moet blijven zitten zonder dat je riem alles bij elkaar trekt. Ga zitten: knelt de band hard, dan is de maat of taillehoogte niet geschikt. Kijk daarna naar zitvlak en bovenbenen. Schuine spanning vanaf kruis of zakken wijst vaak op te weinig ruimte.
Bij de lengte bepaalt het model hoeveel stof op de schoen mag vallen. Een nette broek kan met weinig of één breuk vallen; een ruimere jeans mag meer stapelen. Laat een broek pas inkorten nadat je haar met de schoenen hebt gepast die je meestal draagt.
Wat kun je laten vermaken?
Broeklengte, mouwlengte en een bescheiden hoeveelheid taille innemen zijn gebruikelijke aanpassingen. Schouders en armsgaten veranderen is veel ingrijpender en vaak niet rendabel bij gewone kleding. Koop daarom op het moeilijkste punt en laat alleen de eenvoudigere delen aanpassen.
Controleer drie kledingstukken thuis en noteer per stuk één probleem. Vergelijk daarna pas een andere maat of ander model. Wie alles tegelijk vervangt, ontdekt te laat dat dezelfde pasvormfout in de nieuwe stapel terugkomt.
Welke keuze volgt uit de controle?
Past de schouder maar is de taille ruim, dan kan innemen zinvol zijn. Trekt borst of bovenbeen, probeer eerst een ruimere maat of ander model. Is alleen de lengte fout, vraag een kleermaker wat inkorten kost voordat je het kledingstuk afschrijft.
Gebruik de spiegelcheck wanneer kleding maar één van meerdere punten is die je wilt veranderen. Voor een rustige ochtend kies je één aanpassing en draag je die een week in echte situaties. Wil je het resultaat eerlijk fotograferen, gebruik dan ook de uitleg over een ontspannen houding op foto’s.
